Kinderverhaal #2

Een overzicht van de vorige verhalen is hier te vinden.

Een wonder van genade

In ons land maken we nu de corona epidemie mee. Rond 1840/50 was er in Engeland een cholera epidemie. Er stierven veel mensen. Het verhaal gaat hierover.

De dominee gaat vroeg naar bed. Hij is ontzettend moe. Hij heeft de laatste tijd heel veel bezoeken afgelegd bij zieke en stervende mensen uit zijn gemeente en daarbuiten. Voordat hij gaat slapen buigt hij zijn knieën. Hij vraagt aan de Heere of Hij het woord dat hij die dag gesproken heeft bij de bedden van de zieken en stervenden zou willen zegenen. Hoewel hij heel moe is kan hij toch niet slapen. Telkens ziet hij de mensen weer voor zich die hij die dag heeft bezocht. Eindelijk valt hij toch in een diepe slaap. Het is rond middernacht. Niet lang daarna wordt er op de deur geklopt en een knecht maakt hem wakker. “Dominee, beneden staat een man aan de deur die zegt dat hij u moet spreken.”

De dominee staat op en kleed zich snel aan en loopt de trap af. Vlak bij de deur staat een man. De dominee houdt een lantaarn vast om de man goed te kunnen zien, maar het lijkt erop dat deze zijn gezicht wil verbergen. Hij ziet er angstaanjagend uit. Hij heeft een grote donkere snor en een lange, ongekamde baard. Hij ziet er als een misdadiger uit.

“Wat wil je van me?” vraagt de dominee. “Ik wil dat u met me meekomt naar een stervende man die met u wil spreken.” “Wat is zijn ziekte?” “Cholera.” De dominee aarzelt en zegt na enige tijd, “Ik kan niet met je meegaan, je zegt niet eens hoe je heet en noemt ook de plaats niet waar je me heen wil brengen. Ik wil mijn leven niet in gevaar brengen.” “U hoeft niet bang te zijn,” zegt de vreemdeling. Er zal niets gebeuren. Kom maar mee, neem geen geld mee en ik verzeker u dat u veilig bent.”

De dominee kijkt nog eens naar de man. Dan zegt hij, “ga even zitten. Ik ga met je mee.” Hij gaat weer naar zijn kamer. Daar vraagt hij de Heere of Hij hem wil bewaren en beschermen en of Hij het aanstaande bezoek zou willen zegenen. Als hij weer opstaat na zijn gebed voelt hij dat hij kracht krijgt. Zijn angst is ook weg.

Hij loopt achter de man aan. Ze lopen de ene na de andere straat door. Ze lopen helemaal naar de andere kant van de grote stad. Eindelijk komen ze in een lange, smalle straat met oude huizen. Hij weet het wel. Ze zitten midden in een achterbuurt waar veel misdadigers wonen. Zijn gids gaat een lange smalle steeg

in en aan het eind daarvan is een klein pleintje. Doodlopend. De man pakt een mes uit zijn zak, knielt neer en begint wat aarde weg te schrappen. De dominee kijkt met gespannen aandacht toe. Na enige tijd opent de man een smal luik en hij ziet een diepe put. Alles is donker. “Wees maar niet bang, dominee,” zegt de man terwijl hij zich aan een touw naar beneden laat zakken. De dominee voelt even de neiging om weg te rennen. Maar hij begrijpt dat hij geen enkele kans maakt om in het donker weg te komen. Hij blijft stil staan en bidt Zijn God en Vader om bescherming. Hij kijkt in het gat naar beneden en ziet een lichtje bewegen. Dan wordt er een ladder neergezet en de man klimt een klein stukje naar boven. Hij roept de dominee en zegt: “Kom maar naar beneden.” En weer verzekert hij de dominee dat hij niet bang hoeft te zijn. De dominee gaat langzaam de trap af het donkere hol in. Beneden ziet hij verschillende mensen op de grond liggen. Sommigen zien er als wilde beesten uit. Ze staren hem aan met magere, ingevallen gezichten. De man brengt hem naar een hoek. Daar ligt op wat stro een man die stervende is door de cholera.

“Wilde je me zien?” vraagt de dominee. “Ja,” antwoordt de man met een duidelijke stem. “Waarom wilde je me zien?’ vraagt de dominee. De man zegt: “Enige tijd geleden slenterde ik uw kerk binnen en ik hoorde u wat lezen wat ik weer wil horen voordat ik ga sterven. Het heeft mijn gedachten dag en nacht bezig gehouden. Elke keer hoor ik het weer. Ik kan me niet meer verbergen voor God. Ook niet in deze duisternis. Hij heeft me gevonden. Hij weet waar ik ben en Zijn Hand drukt zwaar op mij. Ik zal spoedig voor Hem moeten verschijnen, beladen met mijn misdaden. Hoorde ik u niet zeggen dat God de goddelozen ombrengt en dat Hij heeft gezegd: “Wijk van Me gij mannen des bloeds?” O God, Ik heb tegen U gezondigd! U bent rechtvaardig. Er kan geen hoop meer zijn voor zo’n ellendeling als ik ben.”

Hij kijkt de dominee met angstige ogen aan en hoopt dat de dominee nog eens dat gedeelte uit de Bijbel zal laten horen waardoor hij werd overtuigd van zijn zonden. De dominee vraagt: “Vertel me eens waar dat gedeelte over ging?” “Oh!” zegt de stervende man, het zei me dat God alles van me weet. Hij weet mijn zitten en mijn opstaan. Hij weet mijn gedachten. Hij weet waar ik altijd ben geweest. Hij weet van te voren al wat ik wil gaan zeggen!” Nu weet de dominee dat het de 139st psalm was die deze man heeft doen zien hoe groot zondaar hij is. Terwijl hij de Bijbel uit zijn zak haalt, bidt hij of dit het werk van de Heilige Geest mag zijn. Dan leest hij de psalm. “Oh, dat is het, dat is het,” zegt de man zachtjes. “Ik dank God dat ik het weer mag horen!”

Dan zegt de dominee: “Het bloed van Jezus Christus reinigt ons van alle zonde” (1Joh. 1:7). “Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om de zondaren zalig te maken.” (1 Tim. 1:15)

“Om zondaren zalig te maken” zegt de man, “maar niet voor zo’n zondaar als ik geweest ben.” “Ja” zegt de dominee, “voor zulke zondaren als jij bent. Luister naar wat God ons in Zijn Woord zegt: “Komt dan, en laat ons te samen rechten, zegt de HEERE, al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol” (Jes. 1:18). “Hoe dan?” vraagt de man gretig; “Wat moet ik doen om zalig te worden?”

“Geloof in de Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden” (Hand. 16:31) “Jouw zonden uit het verleden zullen je niet veroordelen.” “Christus kan ook volkomen zalig maken degenen die door Hem tot God gaan” (Hebr. 7:25).

De man slaat zijn ogen op en strekt zijn handen uit en smeekt nauwelijks hoorbaar: “God wees mij de zondaar genadig.” In deze houding sterft hij.

De dominee kijkt om zich heen. “Het licht van het heerlijke evangelie kan zelfs in deze vuile en vunzige kelder schijnen,” denkt hij. De andere mannen zijn op afstand gebleven, maar hij is vast besloten niet te vertrekken voordat hij ze nog wil waarschuwen. Hij loopt naar hen toe en blijft midden tussen hen in staan. Dan spreekt hij tot hen over de afschuwelijke staat van zonden waarin zij gevallen zijn en zegt hen dat ze zich moeten bekeren en genade moeten zoeken bij de Heere Jezus Die machtig is al hun vorige zonden te vergeven.

“Het is waar,” zegt de man die hem hier gebracht heeft, “Het is de misdaad die ons hier gebracht heeft; we zijn een bende rovers. Ons leven is in uw hand; we gaan ervan uit dat u, als dominee, ons niet zal verraden. We kunnen geen werk vinden. Er is niemand die ons vertrouwt.”

“Stel uw vertrouwen in de Heere,” zegt de dominee, “hoor Zijn woorden: “Die gestolen heeft, stele niet meer, maar arbeide liever, werkende dat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te delen degene die nood heeft” (Ef. 4:28). “Vaarwel!”

Even later begeleidt de man Gods trouwe dienstknecht door de nauwe straatjes van de achterbuurt van de stad. Hij komt thuis met gevoelens die niet te omschrijven zijn. Maar hij dankt God dat Hij hem in staat heeft gesteld het evangelie te verkondigen aan een arme verloren zondaar.

Uit: “The Friendly Companion”, mei 2020

foto: Pexels, Adrien Olichon