Kinderverhaal #3

Een overzicht van de vorige verhalen is hier te vinden.

Honderdvoud teruggekregen

Zo’n 200 jaar geleden waren er nog geen spoorwegen. Mensen die van de ene plaats naar de andere wilden reizen maakten dan gebruik van een koets die door paarden werd getrokken. Alleen de rijkere mensen konden dat betalen. De armen moesten lopen. In Schotland was er in die dagen een koets die elke dag passagiers vervoerde van Glasgow naar Greenock en terug.

Op een dag reist een dame met deze koets naar Greenock. als ze een poosje onderweg zijn, ziet de vrouw een jongen lopen. Hij loopt op z’n blote voeten. Hij ziet er heel moe uit en de vrouw ziet dat hij veel moeite heeft om vooruit te komen. Het regent en de jongen is kletsnat. “Koetsier”, roept ze hard, boven het geraas van de koets uit, “Wil je even stoppen”? De koetsier houdt de koets stil. Hij wil dat wel doen voor deze dame, die een goede klant van hem is. “Wilt u deze jongen ook een plaatsje geven in uw koets? Ik zal wel voor hem betalen”. De jongen wordt geroepen en hij klimt in de koets. Als ze in Greenock aankomen vraagt ze de jongen waarom hij naar deze havenplaats gaat. De jongen vertelt dat hij heel graag matroos wil worden. Hij is van plan om aan één van de kapiteins te vragen of hij als matroos bij hem mag komen werken. De vrouw geeft hem wat geld. “Ik hoop van harte dat de Heere je pogingen om matroos te worden wilt zegenen,” zegt de dame vriendelijk. Even later ziet ze de arme jongen weglopen in de richting van de haven, die vol ligt met prachtige zeilschepen.

Er gaan 20 jaar voorbij. In de koets, die op een middag van Greenock naar Glasgow gaat zitten verschillende mensen. Onder de passagiers is ook een zeekapitein. Op een gegeven moment passeren ze de plek waar 20 jaar geleden de koets stopte om de jongen mee te nemen. De kapitein kijkt naar buiten. Hij ziet een oude dame op de weg richting Glasgow lopen. Ze loopt langzaam en ze ziet er heel erg moe uit. De kapitein ziet dat er nog één plaats over is en hij roept naar de koetsier: “Koetsier, kunt u even stoppen, ik wil dat deze oude vrouw de laatste plaats in de koets gaat innemen. Ik zal wel betalen”. Even later zit de vrouw op de plaats die nog over was.

Niet lang daarna komen ze bij een halte. Alle passagiers stappen uit, behalve de kapitein en de vrouw. De koets staat een poosje stil terwijl de paarden verwisseld worden. Even later rijden ze verder. Nu ze alleen zijn bedankt de vrouw de kapitein hartelijk voor zijn vriendelijkheid om voor haar de overgebleven plaats te betalen. Zelf heeft ze geen cent om zo’n reis te betalen. Dan zegt de kapitein, “Ik heb altijd medelijden met arme, vermoeide reizigers die moeten lopen. Twintig jaar geleden liep ik hier ook toen ik naar Greenock ging en een vriendelijke vrouw vroeg aan de koetsier om mij mee te nemen en ze betaalde voor mij.

De vrouw zit even stil voor zich uit te kijken. Een traan druppelt van haar wang af. Dan zegt ze: “Ik kan me dat heel goed herinneren. Ik ben deze vrouw. Toen was ik rijk. Maar door het slechte gedrag van mijn enige zoon, ben ik arm geworden. Ik ben alles kwijt geraakt”. Ze veegt haar tranen af. Dan geeft de kapitein haar een hand en zegt: “Ik ben heel blij en dankbaar dat ik u nu ontmoet heb”.

Hij vertelt: “De Heere heeft mij veel voorspoed gegeven. Uw wens is in vervulling gegaan. Ik kan nu gaan stoppen met werken en kan gaan rentenieren en op mijn landgoed gaan wonen”. Hij denkt even na. Dan zegt hij: “Ik zal er voor zorgen dat u elk jaar 25 pond krijgt voor de rest van uw leven”. Dat was toen een groot bedrag waarvan ze het hele jaar goed kon leven.

Ze gaf de arme jongen geld toen hij een baan als matroos ging zoeken in Greenock. Nu is de Heere zo goed voor haar dat ze elk jaar meer dan honderd keer zoveel krijgt van de kapitein. En dat voor de rest van haar leven!

Uit: “The Friendly Companion”, mei 2017

foto: Unsplash, Randy Fath